Hoe zeilen werkt: de begrippen van het zeilen

Het tuig, de koersen, overstag en gijpen, de knopen en de navigatie. De begrippen van het zeilen uitgelegd in hun samenhang, niet als losse lijst.

Hoe zeilen werkt: de begrippen van het zeilen

Zeilen heeft een eigen taal. Wie aan boord meehelpt, hoort de schipper woorden gebruiken voor de onderdelen van het schip, voor de zeilen en voor de manoeuvres. Op deze pagina leggen we die begrippen uit, gegroepeerd per onderwerp, zodat u niet alleen weet wat een woord betekent maar ook hoe het in het geheel past. Wilt u een term alleen snel opzoeken, dan vindt u de korte definities in het woordenboek.

Hoe is een zeilschip getuigd?

De tuigage is het geheel van masten, rondhouten, touwwerk en zeilen waarmee een schip vaart. Het touwwerk wordt verdeeld in staand want, dat de mast vasthoudt, en lopend want, waarmee de zeilen worden bediend.

  • Tuigage: Het geheel van masten, gieken, vallen, schoten en stagen waarmee de zeilen worden gedragen en bediend.
  • Spar: Verzamelnaam voor de ronde houten of stalen delen van de tuigage, zoals mast, giek en boegspriet. Ook wel rondhout genoemd.
  • Hoofdmast: De grootste mast van het schip, waaraan het grootzeil hangt.
  • Steng: Rondhout dat de mast naar boven verlengt.
  • Mastkoker: De constructie op het dek waarin de voet van een strijkbare mast draait, zodat de mast kan worden neergelegd om onder een brug te varen.
  • Giek: Horizontale spar onderaan het grootzeil waaraan de onderkant van het zeil is bevestigd.
  • Gaffel: Spar die de bovenkant van een vierkant grootzeil draagt en met het voorste eind tegen de mast rust.
  • Dirk: Lijn die de giek omhoog houdt wanneer het zeil niet gehesen is.
  • Overloop: Dwars over het schip lopende rail of stang waarover de schoot van een zeil vrij kan bewegen.

Wat is het verschil tussen staand en lopend want?

Het staand want houdt de mast op zijn plaats en beweegt niet. Het lopend want beweegt wel: daarmee hijst en bedient u de zeilen.

  • Staand want: Het vaste touwwerk, meestal staaldraad, dat de mast op zijn plaats houdt.
  • Want: Het touwwerk dat de mast zijwaarts ondersteunt, naar bakboord en stuurboord.
  • Stag: Vaste lijn die de mast naar voren of achteren ondersteunt.
  • Bakstag: Lijn die de mast naar achteren en opzij ondersteunt.
  • Lopend want: Het beweegbare touwwerk waarmee de zeilen worden gehesen en bediend, zoals vallen en schoten.
  • Val: Lijn waarmee een zeil wordt gehesen.
  • Schoot: Lijn waarmee de stand van een zeil wordt geregeld, zoals de fokkenschoot en de grootschoot.
  • Grootschoot: Lijn waarmee het grootzeil wordt aangetrokken of gevierd.
  • Fokkenschoot: Lijn waarmee de stand van de fok wordt geregeld.
  • Kraanlijn: Lijn die vanaf het eind van de giek over een schijf in de mast naar het dek loopt en helpt bij het hijsen.

Welke zeilen voert een traditioneel schip?

De meeste traditionele schepen voeren een grootzeil aan de hoofdmast en een of meer voorzeilen daarvoor. Het grootzeil is meestal een gaffelzeil, een vierhoekig zeil dat aan de bovenkant door de gaffel wordt gedragen.

  • Grootzeil: Het belangrijkste zeil, gevoerd aan de hoofdmast.
  • Gaffelzeil: Vierhoekig grootzeil dat aan de bovenzijde door een gaffel wordt gedragen. De meeste traditionele schepen voeren gaffelzeil.
  • Piek: Het bovenste, achterste punt van een gaffelzeil, bij het uiteinde van de gaffel.
  • Bezaan: Het achterste zeil op een schip met twee of meer masten, gevoerd aan de bezaansmast.
  • Voorzeil: Zeil vóór de mast, zoals de fok, de kluiver of de vlieger.
  • Fok: Driehoekig voorzeil, gevoerd tussen de mast en de boegspriet.
  • Stagfok: Fok die met de voorrand aan het fokkenstag is bevestigd.
  • Kluiver: Driehoekig voorzeil dat vóór de fok aan de boegspriet wordt gevoerd.
  • Vlieger: Driehoekig voorzeil dat boven de kluiver, aan de top van de voorste mast, wordt gevoerd.
  • Reef: Het ingenomen deel van een zeil waarmee het zeiloppervlak bij harde wind wordt verkleind.
  • Reven: Het verkleinen van het zeiloppervlak bij toenemende wind, voor controle en comfort.

Wat zijn de koersen ten opzichte van de wind?

De koers is de richting waarin u vaart ten opzichte van de wind. Hij bepaalt hoe de zeilen staan en wat het schip doet. Van de wind recht van achteren tot zo dicht mogelijk tegen de wind in onderscheiden zeilers een aantal vaste koersen.

  • Koers: De richting waarin het schip vaart, ook ten opzichte van de wind. Hoe een schipper een route en koers bepaalt, leest u in de blog over het bepalen van een route.
  • Loefzijde: De zijde van het schip waar de wind vandaan komt, tegenover de lijzijde.
  • Lijzijde: De zijde van het schip waar de wind naartoe waait, tegenover de loefzijde.
  • Voor de wind: Koers waarbij de wind recht van achteren komt.
  • Halve wind: Koers waarbij de wind recht van opzij komt.
  • Aan de wind: Koers waarbij u zo schuin mogelijk tegen de wind in vaart.
  • In de wind: Met de boeg recht op de wind, waarbij de zeilen leeg klapperen en het schip vaart verliest.

Hoe wisselt een schip van koers?

Om van de ene kant van de wind naar de andere te komen, draait het schip met de boeg of met de achtersteven door de wind. Dat heet overstag gaan en gijpen. Wie tegen de wind in moet, doet dat in een zigzaglijn die kruisen heet.

  • Oploeven: Het schip met de boeg meer richting de wind sturen, tegenovergestelde van afvallen.
  • Afvallen: Het schip met de boeg verder van de wind af sturen, tegenovergestelde van oploeven.
  • Overstag gaan: Met de boeg door de wind draaien zodat het schip op de andere boeg verder vaart.
  • Gijpen: Met de achtersteven door de wind draaien, waardoor het grootzeil naar de andere zijde overkomt. Bij harde wind gebeurt dat met zorg, om een klapgijp te voorkomen.
  • Kruisen: Tegen de wind in varen door afwisselend over beide boegen te zeilen, in een zigzaglijn. Ook wel opkruisen genoemd.
  • Boeg (over welke boeg): De zijde waarop het schip ten opzichte van de wind ligt. Komt de wind over bakboord binnen, dan ligt het schip over bakboord.

Welke knopen gebruikt u aan boord?

Een goede knoop houdt onder belasting, maar is daarna weer los te maken. Aan boord komen steeds dezelfde knopen en handelingen terug. NAUPAR heeft hierover een aantal blogs met stap voor stap uitleg.

  • Zeemansknopen: De knopen die aan boord worden gebruikt om lijnen vast te zetten en te verbinden. Zie de blog over zeemansknopen aan boord.
  • Kruisknoop: Knoop om twee even dikke lijnen aan elkaar te verbinden.
  • Schootsteek: Knoop om twee lijnen van verschillende dikte aan elkaar te verbinden.
  • Paalsteek: Knoop die een vast oog legt dat niet dichttrekt, bijvoorbeeld om over een bolder te leggen.
  • Mastworp: Knoop om een lijn aan een rondhout of de reling te bevestigen. Zie de blog over de mastworp.
  • Achtknoop: Knoop in de vorm van een acht, gelegd in het eind van een lijn zodat die niet door een blok schiet. Zie de blog over de achtknoop.

Wat is schiemanswerk?

Schiemanswerk is al het werk aan touw en lijnen aan boord: knopen, splitsen, takelen en het netjes wegwerken van lijnen. Het houdt het touwwerk bruikbaar en veilig.

  • Schiemanswerk: Het werk aan touw en lijnen aan boord, zoals splitsen, knopen en takelen. Zie de blog over schiemanswerk.
  • Beleggen: Een lijn vastzetten, bijvoorbeeld om een korvijnagel of klamp. Zie de blog over het beleggen van een korvijnagel.
  • Korvijnagel: Pen waaraan een lijn wordt vastgezet.
  • Opschieten: Een lijn netjes oprollen of opbundelen zodat die zonder klitten kan worden gevierd.
  • Splitsen: Twee lijnen of de strengen van een lijn in elkaar vlechten tot een vaste verbinding of een oog.
  • Oogsplits: Vast oog in het eind van een lijn, gemaakt door de strengen terug te vlechten.
  • Takelen: Een lijn omwinden met dun garn zodat het eind niet uitrafelt.
  • Talie: Takel met twee of meer schijven om met minder kracht zwaar werk te doen.
  • Tampen: Het uiteinde van een lijn.
  • Pikhaak: Stok met een haak waarmee het schip van de wal wordt afgehouden of een lijn wordt gepakt.

Op het water staan geen borden of straten. De schipper bepaalt de koers met het kompas en de positie met behulp van herkenningspunten en de kaart. Afstand en snelheid worden in zeemijlen en knopen uitgedrukt.

  • Kompas: Instrument waarmee de koers wordt bepaald. De naald wijst naar het magnetische noorden.
  • Variatie: Het verschil tussen het magnetische noorden waar het kompas op wijst en het ware noorden.
  • Deviatie: Afwijking van het kompas door het ijzer en staal van het schip zelf.
  • Kruispeiling: Het bepalen van de positie door twee herkenbare punten aan land te peilen en de richtingen op de kaart te kruisen.
  • Log: Instrument dat de afgelegde afstand of de snelheid over het water meet.
  • Zeemijl: Afstandsmaat op het water van 1852 meter.
  • Knoop (snelheid): Maat voor vaarsnelheid. Eén knoop is één zeemijl per uur.
  • Logboek: Boek waarin de schipper route, tijden, weer en bijzonderheden van de reis bijhoudt.

Hoe legt u af en meert u af?

Bij het afmeren wordt het schip met lijnen aan de wal vastgelegd. De volgorde waarin u dat doet, hangt af van de windrichting. Een schuin lopende lijn, de spring, houdt het schip op zijn plaats langs de kade.

  • Landvast: Lijn waarmee het schip aan de wal wordt vastgelegd, zoals de voorlijn en de achterlijn.
  • Spring: Schuin lopende landvast die voorkomt dat het schip langs de kade naar voren of achteren schuift.
  • Bolder: Zware houten of stalen klos op het dek waaraan lijnen worden vastgezet.
  • Stootwil: Buffer die tussen het schip en de kade hangt om schade te voorkomen. Ook wel stootkussen of fender genoemd.

Hoe vaart u door een sluis?

Een sluis verbindt twee wateren met een verschillend peil en brengt het schip van het ene niveau naar het andere. Door een sluis varen heet schutten. De seinverlichting aan weerszijden van de sluis geeft aan of u in- of uit mag varen.

  • Sluis: Waterbouwkundig werk waarmee schepen een hoogteverschil tussen twee wateren overbruggen.
  • Schutten: Een sluis passeren, waarbij het schip naar een ander waterniveau wordt gebracht.

Meer over zeilen en varen