Woordenboek voor zeilen en varen

De zeiltermen die u aan boord hoort, kort uitgelegd. Van bakboord tot droogvallen, alfabetisch en helder. Het woordenboek van de bruine vloot.

Woordenboek voor zeilen en varen

De termen die u aan boord van een traditioneel zeilschip hoort, kort en feitelijk uitgelegd, op alfabetische volgorde. Wilt u weten hoe het zeilen zelf werkt, met het tuig, de koersen, de manoeuvres en de knopen, kijk dan op de begrippen van het zeilen.

Begrippen

  • Aak: Platbodem met ronde vormen en brede boeg, geschikt voor ondiep water.
  • Aanmeren: Het schip naar de kant brengen om het vast te leggen. Zie aanmeren en afmeren.
  • Achterschip: Het achterste deel van het schip, achter de mast.
  • Achtersteven: Het uiterste achtereind van het schip.
  • Afmeren: Het schip met lijnen vastleggen zodat het blijft liggen. Zie aanmeren en afmeren.
  • Anker: Metalen houder die op de bodem grijpt om het schip stil te leggen.
  • Bakboord: De linkerkant van het schip, gezien terwijl u naar voren kijkt. Zie bakboord en stuurboord.
  • Beaufort (Bft): Schaal van 0 tot 12 die de windkracht aangeeft.
  • Boeg: Het voorste deel van het schip.
  • Boegspriet: Spar die naar voren uitsteekt en de voorzeilen ondersteunt.
  • Boei: Drijvend navigatiemerk dat een vaargeul of een gevaar aangeeft.
  • Bolder: Zware houten of stalen klos op het dek waaraan lijnen worden vastgezet.
  • Boot: Een vaartuig, doorgaans kleiner dan een schip. Zie boot en schip.
  • Bruine vloot: Verzamelnaam voor de historische zeilschepen die voor de charter varen. De naam verwijst naar de van oudsher getaande, bruine zeilen. Het gaat om varend erfgoed: oude vracht- en vissersschepen die behouden zijn gebleven. Zie de bruine vloot.
  • Charter: Het huren van een schip met bemanning voor een afgesproken periode en route. Anders dan bij een huurboot die u zelf bestuurt, vaart bij een charter een schipper het schip en helpt u mee zoveel als u wilt. Zie de chartervaart.
  • Charterschip: Traditioneel zeilschip dat met schipper wordt verhuurd voor groepsreizen.
  • Dagtocht: Zeiltocht zonder overnachting.
  • Dek: De beloopbare bovenkant van het schip.
  • Diepgang: Hoe diep een schip onder de waterlijn steekt. Platbodems hebben een geringe diepgang.
  • Droogvallen: Met een platbodem bij eb tijdelijk op een zandplaat rusten tot het water terugkeert. Het kan alleen met een schip met vlakke bodem en alleen in een getijdengebied zoals de Waddenzee. U kunt dan de droge zeebodem op lopen. Zie droogvallen met een schip.
  • Eb: De periode waarin het waterpeil daalt richting laagwater.
  • Gangboord: Het looppad over het dek langs de reling.
  • Geul: Diep vaarwater tussen ondiepten, op de Waddenzee ook getijdengeul genoemd.
  • Getij: Het ritme van eb en vloed, veroorzaakt door de aantrekkingskracht van maan en zon. Ook wel tij genoemd.
  • Hoofdmast: De grootste mast van het schip, waaraan het grootzeil hangt.
  • Hoogwater: Het hoogste punt van het getij, aan het einde van de vloed.
  • Hut: Slaapaccommodatie of privéruimte aan boord.
  • Kooi: Een slaapplaats aan boord.
  • IJsselmeer: Groot Nederlands binnenmeer en populair vaargebied. Zie het IJsselmeer.
  • Kade: Verharde oever waar schepen kunnen aanleggen.
  • Kiel: Langsverband onder de romp. Platbodems hebben geen diepe kiel maar gebruiken zijzwaarden.
  • Klipper: Slank zeilschip met een scherpe boeg, gebouwd voor snelheid. Zie de klipper.
  • Kombuis: De keuken aan boord.
  • Kotter: Oorspronkelijk vissersschip met een rechte of licht overhangende steven, gebouwd voor de kustvisserij.
  • Laagwater: Het laagste punt van het getij, aan het einde van de eb.
  • Landvast: Lijn waarmee het schip aan de wal wordt vastgelegd, zoals de voorlijn en de achterlijn.
  • Logger: Tweemastschip met rechte steven, oorspronkelijk gebouwd voor de haringvisserij op de Noordzee.
  • Luik: Afsluitbare opening in het dek naar het ruim of de verblijfsruimte.
  • Marifoon: Radio voor communicatie tussen schepen onderling en met bruggen, sluizen en walposten.
  • Mast: Verticale spar die de zeilen en de tuigage draagt. Zie ook het tuig.
  • Markermeer: Meer ten zuiden van het IJsselmeer, afgescheiden door de Houtribdijk. Zie IJsselmeer en Markermeer.
  • Meevaren: Als gast deelnemen aan een zeiltocht zonder zelf een schip te huren. Zie meevaartochten.
  • Meezeilen: Tijdens de tocht actief meehelpen met het zeilen. Zie actief meezeilen.
  • Opstappen: Aan boord gaan van het schip aan het begin van de tocht.
  • Platbodem: Schip met een vlakke bodem en zijzwaarden. Door de vlakke bodem heeft het schip weinig diepgang en kan het ondiep water bevaren en droogvallen. De zijzwaarden vervangen de diepe kiel en beperken het afdrijven. Zie de platbodem.
  • Reling: De veiligheidsrand langs het dek.
  • Roef: Opbouw op het dek met daaronder de woonruimte, van oudsher die van de schipper.
  • Roer: Het beweegbare deel achter het schip waarmee wordt gestuurd.
  • Roerganger: Degene die op dat moment het schip stuurt.
  • Romp: Het casco van het schip dat in het water ligt.
  • Ruim: De oorspronkelijke laadruimte van het schip, bij charterschepen vaak omgebouwd tot salon of hutten.
  • Schip: Een groter vaartuig, te onderscheiden van een boot. Zie boot en schip.
  • Schipper: De gezagvoerder aan boord. De schipper voert het schip, bepaalt de koers en draagt de eindverantwoordelijkheid voor schip, bemanning en gasten. Eventuele matrozen of een kok vormen samen met de schipper de bemanning.
  • Schoener: Zeilschip met twee of meer masten waarbij de achterste mast even hoog of hoger is dan de voorste. Zie de schoener.
  • Schokker: Rondbodem vissersschip met een opvallend zware, hoge steven, gebouwd voor de kustwateren.
  • Sluis: Waterbouwkundig werk waarmee schepen een hoogteverschil tussen twee wateren overbruggen. Zie door een sluis varen.
  • Steiger: Constructie in het water waaraan een schip kan worden vastgelegd.
  • Stootwil: Buffer die tussen het schip en de kade hangt om schade te voorkomen. Ook wel stootkussen of fender genoemd.
  • Stuurboord: De rechterkant van het schip, gezien terwijl u naar voren kijkt. Zie bakboord en stuurboord.
  • Tij: Het ritme van eb en vloed, ook wel getij genoemd.
  • Tjalk: Traditionele platbodem met ronde vormen, oorspronkelijk een vrachtschip. Zie de tjalk.
  • Traditioneel zeilschip: Historisch zeilschip dat varend wordt gehouden, vaak voor de charter. Zie het traditionele zeilschip.
  • Tros: Zware lijn om het schip mee af te meren of te slepen.
  • Vaarwater: Het bevaarbare gedeelte van een rivier, meer of zee.
  • Vloed: De periode waarin het waterpeil stijgt richting hoogwater.
  • Vooronder: Ruimte voorin het schip, vaak met slaapplaatsen of berging.
  • Voorschip: Het voorste deel van het schip, vóór de mast.
  • Waddenzee: Getijdengebied met zandplaten en geulen, geliefd om de natuur en om het droogvallen. Zie de Waddenzee.
  • Windkracht: De sterkte van de wind, uitgedrukt in de schaal van Beaufort van 0 tot 12.
  • Wrak: Een gezonken of gestrand schip. In de Waddenzee liggen op de bodem nog veel historische wrakken.
  • Zeemijl: Afstandsmaat op het water van 1852 meter. Een snelheid van één zeemijl per uur is één knoop.
  • Zeilcharter: Het huren van een traditioneel zeilschip met schipper.
  • Zeiltocht: Een tocht onder zeil, van een dagtocht tot een meerdaagse reis.
  • Zijzwaard: Een van de twee zwaarden aan de zijkant van een platbodem. Aan de loefzijde wordt het zwaard neergelaten om afdrijven tegen te gaan.
  • Zwaarden: De platen aan weerszijden van een platbodem die het afdrijven beperken, als vervanging van een diepe kiel. Zie ook zijzwaard.

Hoe het zeilen zelf werkt

De termen van het tuig, de zeilen, de koersen en de manoeuvres, zoals gaffel, giek, want, schoot, overstag en gijpen, leggen we uit op de pagina de begrippen van het zeilen. Daar staan ze in hun samenhang, niet als losse definities.

Scheepstypen

De schepen in de bruine vloot verschillen in vorm, tuigage en aantal masten. Een overzicht staat in de blog over de typen schepen en op het thema traditionele zeilschepen. De typen vindt u hierboven onder klipper, tjalk, schoener, schokker, kotter, logger en aak.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen bakboord en stuurboord?

Bakboord is links en stuurboord rechts, gezien terwijl u naar voren kijkt. Zie bakboord en stuurboord.

Wat is het verschil tussen aanmeren en afmeren?

Aanmeren is het schip naar de kant brengen, afmeren is het met lijnen vastleggen. Zie aanmeren en afmeren.

Wat is het verschil tussen meevaren en meezeilen?

Bij meevaren bent u gast en geniet u van de tocht, bij meezeilen helpt u actief mee met het bedienen van de zeilen.

Kan je bij elke tocht droogvallen?

Alleen met geschikte schepen, op de juiste locaties en bij de juiste omstandigheden. De schipper stemt dit vooraf af.

Praktisch en boeken